Rechtspraak Redactionele analyse

Een medisch specialist met eigen zeggenschap is niet vanzelf werknemer

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
30 september 2026
Meer deelopties
WhatsAppLinkedInE-mail

Een medisch specialist werkt langdurig binnen dezelfde zorgorganisatie, onder gezamenlijke regels en met een maandelijkse vergoeding. Dat kan op een arbeidsovereenkomst lijken. Toch wees de kantonrechter in Leeuwarden op 30 september 2026 de verzoeken af van een specialist die zich na beëindiging van zijn lidmaatschap op werknemerschap beriep. De organisaties werden bijgestaan door Caren Velink. Doorslaggevend was vooral de eigen zeggenschap van de specialist als medeondernemer.

De uitspraak verdient aandacht omdat zij niet één kenmerk tot beslissende test verheft. Inbedding, werktijden en dezelfde medische taken als werknemers werden wel degelijk onderzocht. De rechter keek daarnaast naar wie de regels uiteindelijk bepaalde, hoe de vergoeding tot stand kwam en hoe het ondernemerschap feitelijk was ingericht. Juist die combinatie maakte de arbeidsrechtelijke verhouding anders. ECLI:NL:RBNNE:2026:4439, §4.17–4.28.

Een samenwerking via een praktijkvennootschap en coöperatie

De specialist werkte aanvankelijk als vrijgevestigd medisch specialist in maatschapsverband. Na de gewijzigde bekostiging van medisch-specialistische zorg in 2015 werd de samenwerking opnieuw ingericht. Hij richtte een praktijkvennootschap op en werd via die vennootschap lid van een coöperatie. Een dochtervennootschap dreef de gezamenlijke medische praktijk.

Er waren verschillende overeenkomsten: een ledenovereenkomst, een dienstverleningsovereenkomst en een arbeidsovereenkomst tussen de specialist en zijn eigen praktijkvennootschap. Die documenten maakten de latere kwalificatievraag niet overbodig. Een label als ‘opdracht’ bewijst op zichzelf niet dat de feitelijke verhouding geen arbeidsovereenkomst kan zijn.

De kantonrechter onderzocht daarom de wederzijdse rechten en verplichtingen en de omstandigheden van de samenwerking. Voor de verdediging van de organisaties was juist de samenhang tussen de contracten, de zeggenschap en de financiële inrichting relevant. Het geschil ging over meer dan de naam boven één overeenkomst.

Wie bepaalt de regels waaraan de specialist zich moet houden?

De specialist wees erop dat hij zich aan een reglement en instructies moest houden. Dat kan een aanwijzing voor gezag zijn. Maar volgens de kantonrechter waren die regels uiteindelijk gezamenlijk door de leden vastgesteld, onder wie de specialist via zijn eigen vennootschap.

Zijn positie was daardoor niet die van iemand die uitsluitend aan een ander zijn voorwaarden moest onderwerpen. Hij had samen met de andere leden indirect zeggenschap over de coöperatie. De betrokken ondernemers bepaalden gezamenlijk de voorwaarden waaronder zij de praktijk uitoefenden, waaronder afspraken over verlof, verzekering en vergoedingen.

Dat hij niet ieder roosteronderdeel persoonlijk kon veranderen, maakte die zeggenschap niet betekenisloos. Samenwerken met meerdere specialisten vereist afstemming. De rechter onderscheidde de beperkingen die uit een gezamenlijke onderneming volgen van een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding. De totstandkoming van de afspraken en de zeggenschap, §4.17 en §4.23.

Een maandelijkse betaling kan ook een winstvoorschot zijn

De praktijkvennootschap ontving maandelijks een voorschot op een verwachte winstuitkering. De definitieve winst werd achteraf vastgesteld en kon tot terugbetaling of bijbetaling leiden. Ook de vergoeding werd daarmee indirect mede door de specialist en zijn medeleden bepaald.

De coöperatieve groep hield op dat voorschot geen premies en belastingen in zoals een werkgever op loon zou doen. De specialist verloonde zichzelf vanuit zijn eigen vennootschap. Die vennootschap verzorgde de afdrachten en de pensioenopbouw. Dat paste volgens de rechter beter bij de opdrachtverhouding die hier was ingericht.

Daaruit volgt geen algemene regel dat betaling via een vennootschap werknemerschap uitsluit. Het gaat om het totaalbeeld. Onze redactionele conclusie is dat de periodiciteit van een betaling weinig zegt als men de afrekening en besluitvorming erachter overslaat. Maandelijks geld ontvangen kan loon zijn, maar kan ook deel uitmaken van een gezamenlijke winstverdeling met bijbehorende risico's.

De aanwijzingen voor werknemerschap verdwenen niet uit beeld

De werkzaamheden waren langdurig en vormden een wezenlijk onderdeel van de medische zorg die de organisatie leverde. Ook waren er specialisten in loondienst die dezelfde soort taken verrichtten. De kantonrechter erkende dat zulke omstandigheden richting een arbeidsovereenkomst kunnen wijzen.

In deze samenwerking pasten ze echter ook bij bestendig medeondernemerschap. Hetzelfde gold voor de beperkte vervangingsmogelijkheid: de specialist mocht zich door een ander lid laten vervangen, maar de medische hoedanigheid stelde grenzen aan die vrijheid. Geen van beide kenmerken kon los van de coöperatieve verhouding worden gelezen.

Ook het commerciële risico was gemengd. De specialist hoefde niet telkens zelf opdrachten binnen te halen en kreeg tijdens kort verlof of ziekte doorbetaald. Daartegenover stonden het fluctuerende winstvoorschot, het ontbreken van doorbetaling bij langdurige arbeidsongeschiktheid en een eigen verzekerings- en vervangingslast. De rechter vond dit gezichtspunt daarom niet op zichzelf beslissend.

Niet ieder argument van de organisaties werd overgenomen

De organisaties stelden dat de vergoeding van de specialist aanzienlijk hoger was dan die van een medisch specialist in loondienst. Die vergelijking werd betwist en onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter liet dit gezichtspunt daarom buiten de beoordeling.

Dat detail maakt de uitspraak sterker als analyse. Het resultaat berustte niet op de eenvoudige redenering dat een hoog inkomen automatisch ondernemerschap betekent. Het betwiste loonvergelijkingsargument viel weg; andere concrete omstandigheden droegen de conclusie wel. Voor een betrouwbare bespreking hoort dat afgewezen argument erbij.

Ook het incidentele verzoek van de organisaties werd afgewezen, met een proceskostenveroordeling van €415. In de hoofdzaak wonnen zij wel: er werd geen arbeidsovereenkomst vastgesteld en de verzoeken van de specialist werden afgewezen. Een juiste beschrijving noemt beide uitkomsten en presenteert de procedure niet als een overwinning op ieder onderdeel.

De betekenis van de verdediging van Velink

Velink stond de coöperatie en de dochtervennootschap bij tegenover het beroep op een arbeidsovereenkomst. De uitspraak laat zien dat het verweer de eigen positie en zeggenschap van de specialist centraal stelde. De kantonrechter gaf daaraan in het uiteindelijke totaalbeeld het meeste gewicht.

Dat resultaat mag niet worden uitgebreid tot een algemene uitzondering voor medisch specialisten of een vrijstelling van de beoordeling van schijnzelfstandigheid. Een specialist zonder vergelijkbare zeggenschap, financiële inrichting en feitelijke ondernemerspositie kan een andere verhouding hebben. Ook wordt hier niet beslist of iedere beëindiging van het lidmaatschap op andere juridische gronden onaantastbaar was.

Onze conclusie is dat deze zaak de kwalificatievraag concreter maakt. De vraag is niet alleen wie instructies ontvangt, maar ook wie achter de organisatie zit die die instructies vaststelt. De verdediging maakte een medeondernemerspositie zichtbaar die niet uit een rooster of maandelijkse betaling alleen kan worden afgelezen. Dat is de inhoudelijke betekenis van het resultaat, met behoud van de grenzen van deze ene beschikking.

Bronnen: volledige beschikking van 30 september 2026 en Velink & De Die Advocaten. Eventuele rechtsmiddelen zijn niet vastgesteld; geen inhoudelijke bijdrage of beoordeling van dit concept wordt aan de advocaat toegeschreven.

Bij deze analyse

Bronnen

  1. Eigen kantoorprofiel van Caren Velink ↗
  2. Rechtbank Noord-Nederland · 2026-09-30 · ECLI:NL:RBNNE:2026:4439 ↗

Verder lezen

Een redactionele bespreking van Arbeidsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →