Rechtspraak Redactionele analyse
Een factuur via een vof maakte dit werk nog geen ondernemerschap
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Uitspraakdatum
- 8 september 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3990 ↗
Vier jaar werken voor dezelfde organisatie, een vast maandbedrag en instructies over klanten en werktijden. Toch liep de betaling via een vof en later via facturen uit een eenmanszaak. De kantonrechter in Noord-Nederland keek op 8 september 2026 door die vorm heen: de verhouding moest als arbeidsovereenkomst worden behandeld. Daarmee was de geldelijke eindafrekening nog niet beslist, maar wel het uitgangspunt waarop die moest berusten.
Mr. D. Eggen vertegenwoordigde de werkende. Haar cliënt vroeg niet alleen om een ander etiket. Achter de kwalificatie lagen loon, vakantietoeslag, verlof en een forse tegenvordering. De bijzondere waarde van de zaak zit in het reconstrueren van de totstandkoming van de constructie: wie koos de vof, wie onderhandelde over de vergoeding en hoeveel invloed had degene die het werk daadwerkelijk deed?
De samenwerking was niet vrij door de werkende ontworpen
Volgens de vastgestelde feiten kwam het initiatief voor de vof uit de organisatie waarvoor de werkzaamheden zouden worden verricht. De cliënt en zijn toekomstige medevennoot kenden elkaar voordien niet. De andere vennoot stelde de documenten op en onderhandelde over de betaling. De werkende had geen aantoonbare ruimte om zelf een andere contractvorm te kiezen.
Het vof-contract kende de ene vennoot een arbeidsvergoeding van € 250 per maand toe en de cliënt € 2.500 voor het grootste deel van het directe werk. De rechter zag de gekozen betalingsroute daarom niet als doorslaggevend bewijs van ondernemerschap. Dat geld via een samenwerkingsverband bij twee personen terechtkomt, zegt nog niet wie tegenover de opdrachtgever daadwerkelijk ondernemersvrijheid heeft.
Toen de verhouding met de andere vennoot eindigde, hield de vof op te bestaan. De cliënt bleef hetzelfde werk doen en ging facturen sturen. Ook dat moment ging niet gepaard met zelfstandige onderhandelingen die overtuigend een nieuwe relatie verklaarden. De administratieve verandering wijzigde de feitelijke afhankelijkheid dus niet vanzelf.
Geen wedstrijd waarin de meeste vinkjes winnen
De rechter paste de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst en de gezichtspunten uit de rechtspraak toe. Daarbij benadrukte hij dat het niet gaat om het tellen van punten voor werknemerschap of zelfstandigheid. Alle omstandigheden moeten in samenhang worden bezien. In deze zaak wogen vooral de totstandkoming van de afspraken en de wijze waarop de beloning was bepaald zwaar.
Dat maakt het vonnis bruikbaar voor meer dan alleen vof-constructies. Een contractvorm kan op papier keurig zijn ingericht, terwijl degene die het werk verricht nauwelijks invloed heeft gehad op de voorwaarden. Omgekeerd maakt een voorgestelde constructie iemand niet automatisch werknemer. Nodig blijft onderzoek naar de daadwerkelijk overeengekomen rechten en verplichtingen.
Eggens cliënt kon dat onderzoek met concrete gegevens voeden. De relatie begon niet bij een later ontworpen ondernemerswebsite, maar bij de manier waarop in 2020 het werk en de betaling werden georganiseerd. Een eigen website uit 2025 bewees niet dat er in de eerdere werkperiode al andere commerciële opdrachtgevers of zelfstandige activiteiten waren.
Instructies liepen van klantencontact tot het rijschema
De organisatie bepaalde niet alleen welke dienstverlening gewenst was. Uit berichten volgden opdrachten om klanten te bellen, demonstraties te geven en takenlijsten bij te houden. Voor bezoeken elders in het land werd het rijschema bepaald. Ook werd geïnstrueerd over een werkdag van negen tot vijf en over pauzes.
Daarnaast was de cliënt zichtbaar onderdeel van de onderneming. Hij had een eigen zakelijk e-mailadres, visitekaartjes, een telefoon, laptop en creditcard. Hij stond met zijn foto in commerciële uitingen en was voor klanten een herkenbaar gezicht. Zijn werkzaamheden betroffen kernactiviteiten, niet slechts een afgebakende klus naast de organisatie.
Geen van die omstandigheden beslist alleen de zaak. Een zelfstandige kan immers ook bedrijfsmiddelen gebruiken of herkenbaar namens een opdrachtgever optreden. De kracht zit in de combinatie met de vaste vergoeding, het ontbreken van eigen commerciële risico’s en de beperkte onderhandelingsruimte. Het dossier maakte die samenhang zichtbaar.
Een vervangingsmogelijkheid bleef onvoldoende concreet
De organisatie voerde aan dat het callcenterwerk ook door iemand anders had kunnen worden gedaan. De rechter wilde dat voor een deel van de werkzaamheden aannemen. Maar de cliënt deed meer: hij installeerde apparatuur, onderhield vaste klantrelaties en droeg een herkenbare functie binnen de onderneming.
Een theoretische mogelijkheid tot vervanging woog daarom niet op tegen de feitelijke uitvoering. Uit het dossier bleek niet dat hij zich werkelijk had laten vervangen. Ook hier koos de rechter niet voor een absolute regel, maar voor waardering van hoe het werk gedurende meerdere jaren was ingericht.
De zaak toont zo waarom kwalificatieonderzoek meer vraagt dan een contract doorzoeken op één gunstige clausule. Wie zich op ondernemerschap beroept, moet kunnen uitleggen hoe de vrijheid uit dat contract in de praktijk functioneerde. Een abstracte mogelijkheid is niet altijd hetzelfde als een reële ondernemerspositie.
Ook de omvang van het werk werd betwist
De cliënt stelde veertig uur per week beschikbaar te zijn geweest. De wederpartij hield het op hooguit negenentwintig uur en wees op rustige agenda’s, beperkt telefoonverkeer en studie. De rechter volgde het standpunt van een voltijdse arbeidsomvang.
De reden was mede dat beschikbaarheid voor klantoproepen bij deze concrete inrichting als werktijd kon tellen, ook wanneer er niet voortdurend werd gebeld. Dat de werkgever soms weinig werk had, kwam niet zonder meer voor rekening van de werknemer. De gegevens over de studie maakten evenmin aannemelijk dat die structureel een aanzienlijk deel van de werkweek opslokte.
Daaruit volgt niet dat iedere thuis beschikbare opdrachtnemer automatisch veertig arbeidsuren kan claimen. Het oordeel berust op de verwachtingen en afspraken in deze verhouding. Het maakt wel duidelijk waarom een lege agenda geen volledig beeld geeft van arbeid die ook bereikbaarheid en ondersteuning omvat.
Een gewonnen kwalificatie is nog geen gewonnen geldbedrag
Na de herkwalificatie moest een billijk loon worden vastgesteld. Er was geen toepasselijke cao of vergelijkbare werknemer binnen de organisatie. De rechter volgde de hoge verlangde bedragen niet, maar stelde voor de opeenvolgende jaren bruto maandlonen tussen € 3.000 en € 3.800 vast, bij veertig uur en exclusief vakantietoeslag.
Daarna bleef een belangrijk probleem over: welke bedragen waren al betaald, aan wie en met welke verwerking? De organisatie had een aanzienlijke tegenvordering ingesteld. De rechter verlangde bankafschriften, overzichten van betalingen aan de vof en aan de cliënt, fiscale gegevens en nieuwe berekeningen van beide partijen.
Dit is daarom een tussenvonnis. Er is nog geen definitief bedrag aan achterstallig loon of terugbetaling toegewezen. Ook het beroep op de klachtplicht werd weliswaar verworpen, maar daarmee waren alle financiële verweren niet verdwenen. Een betrouwbaar artikel moet die grens even zichtbaar maken als de gewonnen kwalificatievraag.
De werkelijke onderhandelingspositie terug in beeld
Eggens cliënt bereikte dat de gekozen factuurroute niet langer het juridische vertrekpunt bepaalde. De rechter keek naar wie de constructie ontwierp, wie voorwaarden vaststelde en hoe de cliënt feitelijk werkte. Dat is een inhoudelijk resultaat dat niet groter hoeft te worden gemaakt door een nog openstaande loonclaim alvast als opbrengst te presenteren.
De bredere les is dat een ondernemingsvorm geen vervanging is voor ondernemerschap. De naam boven een factuur kan belangrijk zijn voor de administratie, maar verklaart nog niet de vrijheid, verantwoordelijkheid en risicoverdeling achter het werk. Precies dat onderscheid kwam in deze procedure opnieuw op tafel.
Bronnen en verantwoording
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 8 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3990. Kantoorprofiel: Demy Eggen bij EntzingerScheltinga. Geen medewerking, goedkeuring of definitieve financiële einduitkomst verondersteld.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Arbeidsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →