Rechtspraak Redactionele analyse

Twaalf maanden op papier, dertien maanden volgens de werkgever zelf

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
17 september 2026
Meer deelopties
WhatsAppLinkedInE-mail

Een jaar telt twaalf maanden. Toch kon een horecaondernemer daarmee niet verklaren waarom hij zijn werknemer een maand loon onthield. De arbeidsovereenkomst noemde een looptijd van twaalf maanden én een einddatum die dertien maanden na de start lag. Vervolgens bevestigde de werkgever herhaaldelijk die latere einddatum. Op 17 september 2026 hield de kantonrechter hem aan de verwachting die hij daarmee zelf had gewekt.

Mr. N. Baouch vertegenwoordigde de werkneemster. Haar zaak werd niet gewonnen met de stelling dat een concrete kalenderdatum altijd boven een uitgeschreven duur gaat. Het verweer draaide om de samenhang tussen de door de werkgever opgestelde tekst, de latere aanzeggingen en het vertrouwen dat de werknemer daaraan mocht ontlenen. Dat maakt de beschikking nuttiger dan een eenvoudige waarschuwing om contracten op rekenfouten te controleren.

De tegenstrijdigheid was van beide kanten zichtbaar

De werkneemster begon de nieuwe overeenkomst op 1 april 2025. Daarin stond een periode van twaalf maanden, met als einddatum 30 april 2026. Volgens de werkgever was de startdatum naar voren geschoven en was vergeten de einddatum aan te passen. Volgens de werknemer wilden partijen juist vasthouden aan de eerder gekozen einddatum.

De kantonrechter kon uit die tegenover elkaar staande verklaringen niet vaststellen welke bedoeling bij aanvang doorslaggevend was. Hij onderzocht daarom ook andere omstandigheden. De werkgever had het contract opgesteld. Als hij uitsluitend twaalf maanden had willen afspreken, lag het in beginsel op zijn weg daarbij de passende einddatum te vermelden.

Dat gegeven alleen verklaart nog niet het hele resultaat. Het risico van onduidelijk formuleren kreeg extra gewicht doordat de werkgever daarna zelf lange tijd dezelfde latere einddatum gebruikte. Zijn uitleg in de procedure botste daarmee met zijn eigen communicatie tijdens het dienstverband.

Drie bevestigingen tegenover één afwijkend bericht

In november 2025 liet de werkgever tweemaal weten dat het contract niet zou worden verlengd en op 30 april 2026 zou aflopen. In februari kwam een brief waarin plotseling 31 maart stond. Nog geen twee weken later volgde echter opnieuw een e-mail met 30 april, inclusief de mededeling dat de bestaande voorwaarden tot die einddatum bleven gelden.

Ook de administrateur was volgens de verklaring tijdens de zitting van de latere datum uitgegaan. Als de werkgever en zijn administratie zelf steeds met april rekenden, waarom zou de werknemer dan moeten begrijpen dat maart de werkelijke einddatum was? Precies die vraag maakte het beroep op een voor haar evidente fout minder overtuigend.

De verdediging maakte de latere correspondentie zo tot onderdeel van de contractuitleg. Een aanzegging is niet alleen een administratieve verplichting bij het einde van een tijdelijk contract. De inhoud kan ook licht werpen op de betekenis die een partij zelf eerder aan haar overeenkomst gaf.

Een tweede contractversie loste het probleem niet op

Vóór de mondelinge behandeling legde de werkgever nog een andere contractversie over, waarin wel 31 maart als einddatum stond. De werkneemster betwistte gemotiveerd dat zij die versie eerder had gezien of ondertekend. De enkele overlegging ervan maakte de eerdere overeenkomst en communicatie daarom niet ongedaan.

Dat is een wezenlijk verschil tussen een document dat een partij in haar administratie aantreft en een afspraak die beide partijen bindt. De rechter hoefde niet te oordelen dat het document vals was om het onvoldoende beslissend te vinden. De vraag was of deze versie de overeengekomen inhoud aantoonde. Daarvoor schoot de onderbouwing in dit dossier tekort.

De conclusie bleef concreet: onder deze omstandigheden mocht de werkneemster op 30 april vertrouwen. De beschikking bevat geen universele voorrangsregel voor data boven tekst en evenmin een vrijbrief om iedere tegenstrijdigheid steeds in werknemersvoordeel uit te leggen. De gedragingen ná het sluiten van het contract droegen het oordeel mede.

De extra maand werkte door in meer dan het loon

De werkgever moest over april € 2.780,53 bruto loon en € 222,44 bruto vakantiebijslag betalen. Ook kwam er een restant van € 87,33 aan transitievergoeding bij. Een belangrijk deel van die vergoeding was inmiddels betaald op basis van een korter dienstverband; de procedure ging voor dat onderdeel nog om het verschil.

De werkgever wilde een Ziektewet-uitkering verrekenen met het loon over april. De stukken wezen echter uit dat het UWV de uitkering pas vanaf 1 mei had toegekend. Een uitkering over een latere periode kon de loonaanspraak over april hier dus niet verminderen.

Dat laat zien waarom een dossier over een einddatum meer nodig heeft dan het contract alleen. De datum bepaalt ook waar de loonplicht eindigt, vanaf wanneer een uitkering aan de orde is en hoe de vergoeding wordt berekend. Door die financiële gevolgen afzonderlijk te toetsen, wordt voorkomen dat de winst op het hoofdgeschil bij de afrekening weer verdwijnt.

Vakantie tijdens ziekte vroeg een andere toets

Een tweede inhoudelijk verschil zat in de vakantiedagen. De werkneemster erkende dat zij vóór haar ziekmelding vier dagen vakantie had opgenomen. Die moesten op het saldo in mindering komen. Voor acht reeds geplande dagen tijdens ziekte gold dat niet zonder meer.

De rechter paste artikel 7:638 lid 8 BW toe. De al vastgestelde vakantie gold gedurende ziekte hier niet als opgenomen vakantie, omdat de vereiste instemming ontbrak en geen toepasselijke schriftelijke verrekeningsafspraak was gebleken. De werkgever had die acht dagen dus niet mogen afschrijven.

Na aftrek van wat al was uitbetaald resteerde € 1.209,98. Dat is minder dan het aanvankelijk gevraagde vakantiesaldo. De verdediging behaalde dus een relevant resultaat zonder dat ieder onderdeel van haar berekening werd gevolgd. Ook dat hoort bij een betrouwbare bespreking van de prestatie: de rechter maakte onderscheid tussen erkende opname en onterecht afgeschreven ziektedagen.

Een consistente tijdlijn won van een losse rekensom

Baouchs cliënt kreeg loon, aanvullende eindafrekening, incassokosten en proceskosten toegewezen. De wettelijke verhoging werd, mede vanwege de aangevoerde financiële omstandigheden, gematigd tot tien procent. Er is geen grond om daaruit reeds ontvangen betaling of het ontbreken van hoger beroep af te leiden.

De waarde van deze procedure zit in de reconstructie. De werkgever beriep zich op een kalenderrekensom, maar de verdediging liet zien wat hij maandenlang zelf had geschreven. Daarmee werd de discussie teruggebracht tot gerechtvaardigd vertrouwen in een concrete arbeidsrelatie. Wie een contractuele fout wil herstellen, moet ook zijn latere verklaringen kunnen verklaren.

Voor werknemers en werkgevers is dat een scherpere les dan ‘controleer de datum’. Een onduidelijke afspraak wordt niet in een vacuüm uitgelegd. Bevestigingen, eerdere berekeningen en communicatie met de wederpartij kunnen later zwaarder wegen dan de uitleg die pas verschijnt wanneer het loon moet worden afgerekend.

Bronnen en verantwoording

Gebaseerd op Rechtbank Noord-Holland, 17 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12290, vooral 6.3–6.12. Procesrol uit de beschikking; kantoorbron Spronk Meijjer Advocaten. Geen medewerking of juridische beoordeling door de advocaat is verondersteld.

Bij deze analyse

Bronnen

  1. Eigen kantoorprofiel van N. Baouch ↗
  2. Rechtbank Noord-Holland · 2026-09-17 · ECLI:NL:RBNHO:2026:12290 ↗

Verder lezen

Een redactionele bespreking van Arbeidsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →