Rechtspraak Redactionele analyse
Wie ziekte zelf ontkent, kan de ontbrekende medische beoordeling niet op de werknemer afwentelen
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Uitspraakdatum
- 16 september 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6612 ↗
Een werkgever betaalde een jonge werknemer minder loon omdat hij volgens haar niet echt ziek was. Een bedrijfsarts was nooit ingeschakeld. Toen de werknemer naar de rechter stapte, wierp zij hem alsnog tegen dat ziekte niet vaststond. De kantonrechter in Midden-Nederland hield die redenering op 16 september 2026 tegen. De werkgever kon haar eigen ontbrekende medische beoordeling niet zonder meer veranderen in een procedureel probleem voor de werknemer.
Mr. M.J. Roest Crollius vertegenwoordigde de werknemer. Bijzonder is vooral hoe het verweer over een ontbrekende UWV-deskundigenverklaring werd behandeld. Normaal kan zo’n verklaring bij een loonvordering wegens ziekte nodig zijn. Hier had de werkgever vóór de procedure juist aangegeven dat er geen onwil was om te betalen en zelf een betalingsregeling voorgesteld. De werknemer hoefde daarom niet te verwachten dat zijn ziekte alsnog zou worden betwist.
Een kort dienstverband met een lange afrekening
De werknemer was na een gemeentelijke proefplaatsing in dienst gekomen als leerling-monteur en bouwassistent. Het tijdelijke contract liep vanaf december 2025 ruim zes maanden. In februari meldde hij zich ziek en daarna werkte hij niet meer tot het contract afliep.
Bij de eindafrekening bleek meer te spelen dan alleen een discussie over ziekte. Volgens het verzoekschrift was ook op basis van de toepasselijke cao te weinig loon berekend. Daarnaast ontbraken vakantiebijslag, uitbetaling van vakantie-uren, transitievergoeding en de vergoeding wegens te late aanzegging. Sommige loonstroken waren onjuist, andere ontbraken geheel.
De werkgever erkende dat zij zelf had bepaald dat er geen of minder loon hoefde te worden betaald. Zij wist naar eigen zeggen niet dat een bedrijfsarts moest worden ingeschakeld. Dat bood geen rechtvaardiging voor de gekozen aanpak. De wet verdeelt de rollen juist om te voorkomen dat een medisch meningsverschil een eenzijdige loonsanctie wordt.
De werkgever is geen bedrijfsarts
De kantonrechter stelde voorop dat een werkgever bij een ziekmelding de loonplicht niet naar eigen inzicht kan laten vervallen omdat zij de werknemer niet gelooft. Voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid is de bedrijfsarts aangewezen. Hier waren geen medische beoordeling, re-integratieafspraken of waarschuwing aan de gedeeltelijke loonstop voorafgegaan.
Daarmee verklaart de rechter niet dat iedere ziekmelding onder alle omstandigheden tot onvoorwaardelijk volledig loon leidt. Het oordeel is gekoppeld aan wat deze werkgever had nagelaten. Wie een wettelijke grond voor een loonmaatregel wil gebruiken, moet die grond en de vereiste stappen concreet kunnen aanwijzen. Eigen ongeloof is daarvoor niet genoeg.
Die rolverdeling beschermt ook de kwaliteit van het conflict. Een bedrijfsarts kan belastbaarheid en beperkingen beoordelen zonder dat de werkgever alle medische details hoeft te ontvangen. Het overslaan van die stap maakt een discussie over vertrouwen niet vanzelf tot een onderbouwd oordeel over arbeidsgeschiktheid.
Waarom hier geen UWV-verklaring werd verlangd
Een werknemer die bij de rechter loon wegens ziekte vordert, moet in beginsel een deskundigenverklaring overleggen. Het zou daarom te kort door de bocht zijn om de uitspraak te lezen als een algemene afschaffing van die eis zodra de werkgever geen bedrijfsarts inschakelt.
De kantonrechter wees op de bijzondere voorgeschiedenis. Vóór de procedure had de werkgever tegenover de werknemer of zijn gemachtigde gezegd dat er geen onwil was om te betalen. Via WhatsApp had zij zelfs een betalingsregeling voorgesteld. Er was toen geen aanleiding om te verwachten dat zij later de ziekte als zodanig zou betwisten.
Van de werknemer kon daarom redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij alsnog een deskundigenverklaring ging aanvragen. De werkgever had hem op het verkeerde been gezet, terwijl door haar eigen nalaten ook geen bedrijfsartsbeoordeling beschikbaar was. Dat is de concrete uitzondering van artikel 7:629a lid 2 BW die het dossier hier verder hielp.
De procesprestatie is dus geen ontwijking van een bewijsregel. Roest Crollius’ cliënt kon juist uitleggen waarom toepassing van de hoofdregel in deze specifieke situatie onredelijk zou zijn. De eerdere betaalbereidheid werd daarmee juridisch relevant, in plaats van slechts een mislukte onderhandeling te blijven.
De cao-berekening bleef eveneens overeind
Naast het loon tijdens ziekte had het verzoekschrift uitgelegd dat gedurende het hele dienstverband een hoger cao-loon verschuldigd was. De werkgever weersprak die uitleg en de genoemde bedragen niet. De rechter wees het loonverzoek daarom toe zoals gevraagd.
Het dictum noemt € 8.606,72 bruto, te verminderen met € 4.415,35 netto dat al was betaald. Die formulering vraagt om zorgvuldige verslaggeving. Bruto en netto bedragen kunnen niet simpelweg worden afgetrokken om een nieuw bruto schadebedrag te presenteren. Er hoort een deugdelijke loonafrekening bij, met de fiscale verwerking die daarbij past.
Daarnaast werden € 308,69 bruto transitievergoeding, € 1.485,52 bruto aanzegvergoeding, € 816,33 bruto vakantiebijslag en € 1.186,57 bruto voor niet-genoten vakantie-uren toegewezen. Elk onderdeel heeft een eigen juridische basis. Dat maakt de afrekening minder overzichtelijk, maar voorkomt dat alles ten onrechte onder één noemer van ‘schadevergoeding’ wordt geplaatst.
De specificaties waren onderdeel van het resultaat
De werkgever moest ook correcte bruto- en nettospecificaties verstrekken. Aan die verplichting verbond de kantonrechter een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 1.000. Dat bedrag was niet alvast verbeurd en werd niet als extra vergoeding aan de werknemer toegekend. Het dient om uitvoering van de informatieverplichting af te dwingen.
Over het te laat betaalde loon, de vakantiebijslag en de vakantie-uren werd de maximale wettelijke verhoging toegewezen. Tijdens de zitting was een onjuiste nummering in het verzoek verduidelijkt. De rechter behandelde die als een kennelijke verschrijving omdat duidelijk was op welke onderdelen het verzoek betrekking had.
Niet alles werd toegekend. De werknemer vroeg ook afzonderlijke vergoeding van de eigen bijdrage voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Dat wees de rechter af: deze kosten horen bij de beoordeling van proceskosten en leverden hier geen zelfstandige extra aanspraak op. De proceskosten werden wel afzonderlijk begroot.
Een werkgever kan niet tussen twee verhalen wisselen zonder gevolgen
Deze zaak maakt zichtbaar hoe buitengerechtelijke communicatie de latere procedure beïnvloedt. Eerst een betalingsregeling voorstellen en pas voor de rechter ziekte ontkennen, kan verklaren waarom een werknemer zich niet op een medisch geschil heeft voorbereid. Dat betekent niet dat ieder schikkingsvoorstel een erkenning is. De rechter waardeerde hier de concrete mededelingen en het ontbreken van iedere bedrijfsartsbeoordeling samen.
Het bereikte resultaat bestaat uit betalingsveroordelingen en een bevel tot correcte specificaties. Of bedragen inmiddels zijn voldaan en of een rechtsmiddel is ingesteld, blijkt niet uit deze beschikking. De inhoudelijke les is wel helder: medische beoordeling, betalingscommunicatie en loonadministratie zijn verbonden onderdelen van behoorlijk werkgeverschap. Het ontbreken van de ene stap kan niet zonder meer als gebrek in het dossier van de werknemer worden gepresenteerd.
Bronnen en verantwoording
Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6612, vooral 3.1–3.3 en het dictum. Procesrol uit de beschikking; kantoor Roest & Recht. Geen medewerking of goedkeuring van de advocaat verondersteld.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Arbeidsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →