Rechtspraak Redactionele analyse
Een bedrijfsregel bewees nog geen diefstal door de uitzendkracht
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Uitspraakdatum
- 15 september 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9027 ↗
Twee boxershorts in een tas waren voor Tempo-Team aanleiding om een uitzendkracht onmiddellijk te ontslaan. De inlener stelde dat de kleding van het bedrijf moest zijn, tenzij de werknemer aankoopbewijs kon tonen. De kantonrechter in Zeeland-West-Brabant accepteerde die omkering op 15 september 2026 niet. Een interne regel kon niet vervangen wat de uitzendwerkgever zelf moest onderbouwen: dat de werknemer daadwerkelijk goederen had proberen weg te nemen.
Mr. H.E.C. Heijkoop-Otterman stond de werknemer bij. Zijn verdediging bestond niet alleen uit een ontkenning. Zij maakte een alternatief scenario concreet met de derde boxershort uit een verpakking, eerdere foto’s en bonnetjes van sample sales. Daarnaast werd uitgelegd hoe verzegelde pallets op zijn afdeling de gestelde diefstal minder aannemelijk maakten. Op die samenhang gaf Tempo-Team onvoldoende antwoord.
De inlener zag een overtreding, de werkgever koos ontslag
De werknemer was sinds juni 2024 bij Tempo-Team in dienst en werkte bij de inlener op de afdeling Inbound. Op 6 maart 2026 controleerden beveiligers zijn tas bij het verlaten van het pand. Daarin vonden zij twee boxershorts van een merk waarvan ook goederen in het bedrijf werden verwerkt.
Tempo-Team ontsloeg hem dezelfde dag. De ontslagbrief koppelde de maatregel aan een poging om goederen van de opdrachtgever weg te nemen. Dat bepaalde de kern van de latere procedure. De werkgever moest niet alleen aantonen dat er kleding in de tas zat, maar voldoende feiten geven voor de aan die vondst verbonden beschuldiging.
Een uitzendconstructie maakt die verantwoordelijkheid niet kleiner. De inlener kan een eigen beveiligingsbeleid hebben, maar de uitzendwerkgever geeft het ontslag en moet de gestelde dringende reden kunnen dragen. Het overnemen van een conclusie van de opdrachtgever is iets anders dan het onderzoeken van de onderliggende feiten.
De derde boxershort veranderde de bewijsvraag
De werknemer verklaarde dat de kleding van hemzelf was. Hij had de boxershorts eerder op een sample sale van de inlener gekocht. Ze werden per drie verkocht. Twee zaten in de tas; de derde was nog in zijn bezit. Daarbij waren foto’s ingebracht, waaronder een foto van vóór het incident en een latere foto met een krant. Ook waren bonnetjes van eerdere sample sales overgelegd waarop boxershorts stonden.
Dat materiaal bewees niet door één magische bon ieder detail van de aankoop. Het gaf wel een concreet en controleerbaar alternatief voor het scenario van de werkgever. De derde boxershort en de eerdere afbeelding maakten eerdere eigendom aannemelijker. Tempo-Team had moeten uitleggen waarom die omstandigheden toch met een poging tot diefstal te verenigen waren.
Juist de combinatie is interessant. Een individuele foto kan ambigu zijn. Een kassabon kan onvoldoende specifiek zijn. Een derde kledingstuk kan op zichzelf weinig zeggen. Samen leggen zulke gegevens een vraag op tafel waarop een partij met de bewijslast niet kan volstaan met haar oorspronkelijke vermoeden.
Ook de logistiek van de werkvloer deed ertoe
De verdediging wees daarnaast op de inrichting van het werk. Op de afdeling Inbound kwamen pallets met verzegelde kleding binnen. De verzegeling ging volgens de werknemer pas op de afdeling Orderpicking af. Hij kon daarom op zijn eigen werkplek niet zomaar bij onverzegelde kleding.
Ook daarop volgde geen toereikende reactie. Dat gaf extra gewicht aan het alternatief dat de werknemer de kleding al bij zich had toen hij kwam werken. De rechter hoefde niet positief vast te stellen op welke sample sale ieder kledingstuk was gekocht om te kunnen oordelen dat de werkgever zijn beschuldiging onvoldoende had onderbouwd.
Deze stap is in arbeidsconflicten gemakkelijk te missen. De feitelijke organisatie van werk kan net zo relevant zijn als de ontslagbrief. Wie waar toegang toe heeft, wanneer verpakkingen worden geopend en welke routes goederen afleggen, kan een vermoeden bevestigen of juist ontkrachten. Dat vraagt om dossierwerk dat verder gaat dan het herhalen van de gevonden spullen.
Een kledingverbod is een andere ontslagreden
Tempo-Team beriep zich op een verbod om kleding van bepaalde merken op het werk te dragen of bij zich te hebben. Over de reikwijdte en handhaving daarvan verschilden partijen van mening. De werknemer stelde onder meer dat de regel anders werd toegepast dan de werkgever aannam.
De kantonrechter hoefde die hele discussie niet definitief te beslechten. Zelfs als een verbod was overtreden, volgde daaruit nog niet dat de werknemer kleding wilde wegnemen. Een regel over wat iemand mag meebrengen en een beschuldiging van diefstal zijn verschillende zaken. De ontslaggrond kon niet ongemerkt van de ene naar de andere verschuiven.
Dat maakt de beschikking ook voor werkgevers belangrijk. Interne regels kunnen nuttig zijn voor beveiliging en controle. Maar een regel die ieder bezit bij voorbaat als diefstal behandelt, neemt de onderbouwingsplicht bij een ontslag op staande voet niet weg. Zeker als er concreet tegenmateriaal ligt, moet daarop inhoudelijk worden gereageerd.
De werknemer vroeg vergoedingen, geen terugkeer
Na vermindering van zijn verzoek vroeg de werknemer betaling van verschillende vergoedingen. De rechter oordeelde dat de dringende reden niet was komen vast te staan en het ontslag daarom niet rechtsgeldig was gegeven. Daaruit volgden een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.989,13 bruto en een transitievergoeding van € 1.554,33 bruto.
Daarnaast werd een billijke vergoeding van € 6.000 bruto toegewezen. Het gevraagde bedrag van € 12.500 werd dus niet volledig gevolgd. Voor de schadebegroting keek de rechter naar het inkomen dat zonder dit ontslag nog te verwachten was tot de oorspronkelijke contracteinddatum, 26 juli 2026.
De werknemer had na twee maanden ander werk gevonden, maar tegen een lager salaris. De rechter onderscheidde daarom de periode zonder inkomen van de periode met een inkomensverschil. Ook werd rekening gehouden met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, zodat dezelfde inkomensschade niet simpelweg dubbel werd vergoed.
Geen prijslijst voor een onterechte beschuldiging
De rechter becijferde het resterende inkomensverlies op ongeveer € 5.470 en rondde de billijke vergoeding af op € 6.000. Daarbij telde mee dat de beschuldiging de werknemer begrijpelijkerwijs had geraakt en dat een kritischere houding van Tempo-Team het ontslag mogelijk had kunnen voorkomen.
Dat is geen vast tarief voor een onterechte diefstalbeschuldiging. De vergoeding bleef afhankelijk van de contractduur, werkelijk ontvangen ander inkomen en de omstandigheden van het handelen van de werkgever. Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten werden afzonderlijk toegewezen. Uit het vonnis volgt niet dat de bedragen inmiddels zijn betaald of dat er geen hoger beroep komt.
Heijkoop-Ottermans cliënt bereikte daarmee een belangrijk resultaat zonder dat de rechter een algemene uitspraak over zijn gehele arbeidsverleden hoefde te doen. Het verschil werd gemaakt door de concrete beschuldiging toetsbaar te maken: een derde kledingstuk, gedateerd materiaal, aankoopgegevens en een beschrijving van de goederenstroom. Een bedrijfsregel kon daar niet voor in de plaats treden.
Bronnen en verantwoording
Deze analyse berust op de beschikking van 15 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9027. Procesrol en producties volgen uit de beschikking. Kantoorbron: Huijzer Advocaten. De advocaat is niet als auteur of beoordelaar opgevoerd; afzonderlijke toestemming voor een openbaar portret blijft nodig.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Arbeidsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →